De wandeling van metrohalte Eendrachtsplein naar het Natuurmuseum duurt een eeuwigheid. Onderweg moet bij van alles gestopt worden: levensgrote gekleurde ‘rupsen’ in het gras bij de Westersingel, een ‘rare boom’, ‘een hele bijzondere auto’ en nog veel meer opvallende of juist onopvallende zaken. Natuurlijk moet hij ook plassen. En wel nu. ‘Mijn piemel is handig hè?!’, zegt hij vrolijk, terwijl hij een mooi boogje maakt tegen een oude kastanjeboom. Het blijft een fascinerend gespreksonderwerp voor kleuterjongens.

Het museum blijkt een schot in de roos. Zodra hij achter de glazen gevel het geraamte ontdekt van een enorme potvis, stuift hij de trappen op. In de achtergelegen vleugel wordt een tentoonstelling over pterodactyls opgebouwd. Vliegende reuzenhagedissen uit de dinotijd. Laten walvisachtigen en dinosaurussen nu favoriet zijn bij mijn kleuter. In de ruimte waar de potvis hangt, staat ook een vitrine met een opmerkelijk, langwerpig voorwerp. Als ik hardop lees wat het is, kan James me nauwelijks geloven. ‘Zó’n grote piemel?!’

Na een uurtje staat James buiten met zijn trofee: een haaientand. Een échte. Hij is trots. En ik nog veel trotser. Wat een heerlijke ochtend met mijn ‘grote’ zoon. We eten chocoladetaart bij de Kunsthal en lopen terug door het Museumpark, waar nog steeds gebouwd wordt aan de omstreden parkeergarage.

Twee maanden was dit mijn uitzicht, toen ik tijdens mijn tweede zwangerschap was opgenomen op de zwangerenafdeling van het Erasmus MC. Zouden er nu ook vrouwen naar buiten kijken, verlangend naar een wandeling door het park? Wat zou er in hun hoofden omgaan? Al snel zet James me op andere gedachten. Hij heeft een vraag. Yves zat destijds dus in mijn buik. Maar waar was hij daarvoor? Gelukkig heeft hij zelf al het antwoord: ‘In papa’s piemel!’ En zo is het maar net. Deze jongen heeft geen Natuurmuseum nodig.