Mijn Iranese hulp zei laatst dat ze het zo fijn vindt om bij ons te mogen werken. Ons huis straalt rust en warmte uit, vond ze. Het voelde in eerste instantie als een compliment – dat is nu precies wat ik met een doordachte meubelmix probeer te bereiken. Meteen daarna dacht ik aan wat ze zei toen ze de eerste keer bij ons op de bank zat, ongemakkelijk roerend in haar koffie. Natuurlijk wilde ze wat bijverdienen. Maar de voornaamste reden om te reageren op ons Marktplaatsoproepje, was haar behoefte aan een paar uurtjes afleiding. Iets doen in een positieve, zorgeloze omgeving. Dat ons nieuwe dressoir zo prachtig stond, daar doelde ze natuurlijk niet op.

Ze was gevlucht vanwege het gewelddadige regime. Wat er precies aan het vertrek voor was gegaan, durfde ik niet te vragen. Afgelopen zomer had ze haar familie bezocht. Voor de vliegreis had ze lang gespaard. Terug in Nederland was ze verre van vakantiebruin. Haar gezicht was grauw. Ze had een fletse, sombere blik in haar ogen. Toen ik haar vroeg hoe het was geweest, moest ze wel praten; de tranen liepen direct over haar wangen. Ze was beland in de hel. De Iranese bevolking was doodsbang en getraumatiseerd. Hezbollah-agenten trokken bij het minste of geringste hun geweren. Haar broer had iets gezien wat hij niet had mogen zien en was daardoor zijn leven niet zeker.

Mijn schoonmaakster en ik; we wonen vlakbij elkaar en toch is ons leven zo anders. Zij woont in een achterbuurtflat waar ze haar tienerdochter nauwelijks alleen in de lift durft te laten staan. Ik in een buurtje waar mijn kleuterzoon gewoon alleen buiten speelt. Ik maak me druk over hoe kidsproof onze volgende reisbestemming is. Zij maakt zich zorgen over de veiligheid van haar familie die duizenden kilometers verderop woont.

Het glanzende dressoir was haar trouwens wel opgevallen. Voorzichtig had ze gevraagd wat we met het vorige meubel hadden gedaan. Ik wees naar de tuin, waar we het kastje tijdelijk hadden neergezet. Door de regen had het fineer losgelaten. Het was niet eens in me opgekomen dat iemand anders er blij mee zou kunnen zijn. Beschaamd beloofde ik dat ik voortaan aan haar zou denken. ‘Je bent een lieve vrouw’, zei ze. Nee, jíj bent een lieve vrouw, dacht ik. Een lieve vrouw met een verrotte geschiedenis. En ik ben een geluksvogel.